Na 1750 trok de economie weer aan, gesteund door het beleid van de Oostenrijks-Habsburgse vorsten en het meer liberale ondernemingsklimaat.

Na 1750 trok de economie weer stevig aan, gesteund door het beleid van de Oostenrijks-Habsburgse vorsten en het meer liberale ondernemingsklimaat. Overheidsinvesteringen in het waterwegennetwerk en de haveninfrastructuur, zoals het graven van coupures (kanalen) die de Brugse Vaart met de Leie verbonden en de Leie met de Nederschelde of de bouw van het keizerlijke Entrepot aan de Coupure, stimuleerden de Gentse handel en economie.

Al in 1729 hadden de groothandelaars zich verenigd in een beroepsorganisatie, de Kamer van Koophandel, die gevestigd was in het nieuwe Pakhuis op de Korenmarkt. Nieuwe, grootschalig (in fabrieken) georganiseerde nijverheden, zoals suikerraffinaderijen en katoendrukkerijen, kwamen in snel tempo op. Die waren veeleer arbeidsintensief dan kapitaalsintensief: naast mannelijke arbeiders werden ook vrouwen en kinderen massaal in de industriële productie ingeschakeld om zo de arbeidskost laag te houden. Toch bleef er onvoldoende werk voor iedereen wegens de bevolkingstoename.

Lage arbeidslonen en werkloosheid zorgden voor een groeiende welvaartskloof. Terwijl de economische elite zich verrijkte en luxueuze stadspaleizen en plaatsen van vertier in rococostijl liet bouwen op representatieve plekken in de stad, zoals de Veldstraat of de Kouter, leidde het veel armere deel van de Gentenaars een miserabel bestaan.

Nieuwe normen van arbeidzaamheid en discipline werden niet alleen aan werknemers opgelegd, maar ook aan het groeiend aantal ‘onnuttigen’. Onder impuls van burggraaf Vilain XIIII werd in 1773 aan de Coupure een Provinciaal Correctiehuis of Rasphuis opgericht, waar bedelaars, landlopers en werklozen werden opgesloten, verplicht tewerkgesteld en permanent in de gaten gehouden.

Lees meer over: Archief Gent, stadsarcheologie

Plaats waar de Coupure overgaat in de Leie met links het keizerlijke Entrepot