Na de Romeinen zwaaiden de Franken de scepter in onze contreien.

In de loop van de 5de eeuw ging het gezag over onze gewesten over van de Romeinen op de Franken. Met de Salische Franken werd de Gentse regio in de Germaanse leefwereld opgenomen. Verspreid over het hele grondgebied waren er in de  5de tot de 7de eeuw kleine Merovingische nederzettingskernen, groeperingen van enkele boerenfamilies die hoofdzakelijk van akkerbouw en veeteelt leefden. Ze gaven de voorkeur aan de iets hoger gelegen drogere zandgronden met uitzicht over het omgevende landschap. Ook toponymie en geschreven bronnen duiden op het bestaan van talrijke vroegmiddeleeuwse nederzettingen. Het Germaanse woord voor woning, ‘haima’, vinden we vandaag nog als ‘-gem’ of ‘hem’ in heel wat Gentse plaatsnamen. Sommige van die nederzettingen groeiden uit tot dorpen zoals (Oud) Wondelgem en (Sint-Denijs-)Westrem. Andere leven voort in de namen van wijken of straten (Ekkergem, Rooigem, Aaigem) of in walsites (Herlegem, Hulthem).

Slechts bij uitzondering leidde de ontwikkeling na de kerstening in de 7de eeuw tot een kerkdorp zoals bij Ekkergem. Vanaf de 7de eeuw geven geschreven bronnen inlichtingen over belangrijke bezittingen in Gent, zoals een groot Merovingisch kroondomein of de fiscus Marca, een omvangrijk en gedeeltelijk bebost bezitscomplex Slote dat verdeeld was onder leden van eenzelfde aristocratische familie, het koninklijke domein Aaigem, het koninklijke jachtgebied Scheldehout en sterk versnipperde bezittingen die toebehoorden aan kleinere grondbezitters. De oprichting van twee abdijen in Gent in de 7de eeuw veranderde die bezitsverhoudingen volledig.

De omgeving van Gent in de vroege middeleeuwen