Voor de nieuwe fiets- en voetgangersbrug over de Schelde tussen de Lentestraat en de Sint-Juliaanstraat aan de kant van de Stropkaai te...

Voor de nieuwe fiets- en voetgangersbrug over de Schelde tussen de Lentestraat en de Sint-Juliaanstraat aan de kant van de Stropkaai te Gent en het stukje groen aan de achterzijde van de Jenny Tanghestraat te Ledeberg werd de naam 'Louisa d'Havébrug' definitief vastgelegd. Dat heeft de Gentse gemeenteraad beslist op 17 december 2018.

Louisa d'Havé werd op 13 juli 1894 te Gent geboren als Ludovica D'havé. Zij was de dochter van de Gentse textielfabrikant Théophile d'Havé en was net 20 toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak in 1914. In november 1914 bood ze haar diensten aan als spionne voor het Belgisch leger. Onder het mom dat ze in het neutrale Nederland stoffen ging kopen voor de textielfabriek van haar familie, kreeg Louisa van de Duitse bezetter toestemming om de grens over te steken. Als 'agent 40B' reisde ze ook naar Frankrijk en Engeland. Ook haar vader Théophile ging als 'agent 45B' aan de slag voor de Belgische Militaire Inlichtingendienst.

Vader en dochter d'Havé kregen de opdracht het vertrouwen van de Duitsers te winnen en zo militaire geheimen in handen te krijgen. Ze kregen ook toelating om desgevraagd textiel voor de Duitsers te produceren. Théophile d'Havé nodigde openlijk Duitse officiers uit bij hem thuis, waardoor veel Gentenaars hem als een landverrader zagen. Het liet de d'Havé's wel toe om snel nuttige informatie in handen te krijgen. Tussen januari 1915 en februari 1916 zou Louisa d'Havé in totaal veertig à vijftig keer militair gevoelige informatie naar Nederland smokkelen. Van Vlissingen werd die doorgestuurd naar de inlichtingendienst in Folkestone, die belangrijke informatie doorstuurde naar het hoofdkwartier van het Belgisch leger in Houtem (Veurne).

Het was op basis van informatie van Louisa d'Havé dat het Belgische hoofdkwartier te horen kreeg dat het Duitse leger duizenden maskers besteld had om hun soldaten te beschermen tegen gasaanvallen. Zo kon het Belgische leger zelf ook gasmakers laten produceren, die kopieën waren van de Duitse maskers.

Kort na de eerste gasaanval begonnen de Duitsers in Gent Louisa en Théophile d'Havé te wantrouwen. De jonge vrouw kreeg geen vergunningen meer om in Nederland stoffen te gaan kopen. Toch zou zij tot februari 1916 militaire geheimen de grens over blijven smokkelen dankzij een 'passeur' die haar telkens hielp om onder de elektrische 'dodendraad' aan de grens te raken.

Eind februari 1916 stierf Théophile d'Havé in Gent. Het misprijzen van de Gentenaars en de argwaan van de Duitsers waren steeds ondraaglijker geworden voor hem. Na de dood van haar vader bleef Louisa tot het einde van de oorlog in Nederland. Ze werd in februari 1920 benoemd tot Ridder in de Leopoldsorde en kreeg ook een Eervolle Vermelding van de Natie en het Burgerlijk Kruis eerste klasse 1914-1918, met zilveren kroon. Louisa d'Havé overleed in 1966.