Stadsbestuur en stedelijke identiteit

Met een eigen schepenbank kreeg Gent steeds meer autonomie.

De oprichting van een eigen schepenbank, bevoegd voor het lokale bestuur en de rechtspraak, was een eerste, belangrijke stap op weg naar stedelijke autonomie. Aanvankelijk was die schepenbank – die in feite uit drie banken bestond – niet democratisch samengesteld: enkel leden van de stedelijke elite van grondbezitters, de zogenaamde 'erfachtige lieden', waren verkiesbaar als schepen. Onder druk van de opkomende ambachten en het tot dan uitgesloten deel van de burgerij werd in 1301 een nieuw bestuurlijk regime geïnstalleerd, dat vijf eeuwen stand hield. Voortaan waren er twee schepenbanken, elk samengesteld uit dertien schepenen, van ‘de keure’ en van ‘gedele’. Drie grote sociaal-politieke groepen waren hierin vertegenwoordigd: de ‘weverij’ of textielambachten (wevers, vollers, scheerders en ververs), die het zwaarst wogen, de 53 ‘kleine neringen’ (alle andere erkende ambachten) en de ‘poorterij’ of burgerij, samen de ‘Drie Leden’. Het zelfbewustzijn van de stad uitte zich in de bouw van schepenhuizen en een belfort, verkoophallen voor laken en vlees, ambachtshuizen en schutterslokalen, en natuurlijk ook stadswallen en stadspoorten.