Mensen met stenen werktuigen

In de Gentse bodem vinden archeologen menselijke sporen uit verschillende tijdperken.

De oudste sporen van menselijke aanwezigheid op het Gentse grondgebied dateren van het Midden-Paleolithicum (55.000-35.000 jaar voor onze tijdrekening) of de middenperiode van de Oude Steentijd. Ze komen alleen aan het licht bij diepe graafwerken zoals bij de aanleg van de Blaarmeersen. De sporen verwijzen naar Neanderthal-mensen die tussen de twee laatste ijstijden de Gentse regio bezochten. Het landschap zag er nog volledig anders uit. De rondtrekkende mensen leefden voornamelijk van de jacht op groot wild en het verzamelen van eetbare planten en vruchten.

Op de hogere zandruggen in de nabijheid van waterlopen, zowel bij de samenloop van Leie en Schelde als langs de Kale-Durme ten noorden van de stad, troffen archeologen talrijke 'microlieten' aan. Die bewerkte scherpe stukjes vuursteen waren werktuigen van mesolithische jagers-verzamelaars (ongeveer 8000-4000 jaar voor onze tijdrekening), die waarschijnlijk in tentenkampen leefden.

De overgang naar landbouw en veeteelt, bekend als de neolithische revolutie, was een van de belangrijkste mijlpalen in de ontwikkeling van de mensheid. Ze had verstrekkende gevolgen voor de hele organisatie van de menselijke samenleving en voor de landschappelijke omgeving. Omstreeks 3000 jaar voor onze tijdrekening evolueerde het nomadische bestaan in onze streken geleidelijk naar een meer sedentaire levenswijze, waarbij mensen een vaste verblijfplaats hadden. Bosgebied werd ontgonnen voor de aanleg van akkers en weiden en voor de oprichting van nederzettingen. Die bestonden uit van hout en leem opgetrokken boerderijen.