Archeologen van Ruben Willaert bvba voeren momenteel een opgraving uit in en rond de Sint-Baafskathedraal in Gent

Alle aannemingswerken in en rond de Sint-Baafskathedraal die een impact hebben op de bodem worden voorafgegaan door archeologisch onderzoek. Het belang van deze site is immers moeilijk te overschatten. De oudste delen van de  Sint-Baafskathedraal (de voormalige Sint-Jansparochiekerk) klimmen op tot de 12de eeuw. Uit de historische bronnen kan echter afgeleid worden dat de romaanse kerk teruggaat op een oudere (houten?) voorganger. Deze bidplaats, die reeds in de 10de eeuw vermeld wordt, was het religieuze centrum van de vroegmiddeleeuwse nederzetting (9de-10de eeuw), waaruit de latere stad Gent is ontstaan. 

Het archeologisch onderzoek heeft al heel wat bijzondere resultaten opgeleverd! Aan de buitenzijde van de kathedraal konden tot nog toe een 400-tal graven onderzocht worden. Deze vaststelling ligt volledig in de lijn van de verwachtingen. Het parochiekerkhof, dat zich minstens vanaf de 12de eeuw tot in 1784 rondom de kerk bevond, wordt o.a. op verschillende schilderijen en stadsplannen afgebeeld (zie vorig bericht).   

Ter hoogte van het geplande bezoekerscentrum kon vastgesteld worden dat het jongste kerkhofpakket bijna uitsluitend uit baby’s en heel jonge kinderen (max. 3 jaar) bestond. Tijdens de laatste gebruiksfase van het kerkhof was deze zone m.a.w. exclusief voorbehouden om er vroegtijdig gestorven kinderen een laatste rustplaats te geven. De oudere begravingen betreffen hoofdzakelijk volwassenen. Deze zijn overwegend volgens de christelijke traditie met het hoofd in het westen en de voeten naar het oosten begraven. De gedachte hierachter is dat de overledene op die manier de wederopstanding van Christus (in het oosten) kon aanschouwen. In een groot aantal gevallen zijn de volwassenen per 2 of per 3 bijna tegelijkertijd in 1 kuil begraven, weliswaar in aparte kisten en/of lijkwaden. Dit begrafenisgebruik werd wellicht toegepast om zo economisch mogelijk met de beschikbare ruimte binnen de begrenzing van het kerkhof om te gaan.

 Aan de zijde van de Limburgstraat, ter hoogte van de tijdelijke torenkraan, kwamen 2 massagraven aan het licht. In het centrale massagraf kwamen 31 individuen voor. Dit graf werd gekenmerkt door minstens 8 opeenvolgende lagen met kistbegravingen. In de noordwestelijke hoek van de opgravingszone bevond zich vermoedelijk een tweede massagraf. Aan deze context worden voorlopig 29 individuen gelinkt. Verder fysisch-antropologisch onderzoek op de menselijke resten kan een antwoord bieden op de vraag of de doodsoorzaak bij alle individuen binnen hetzelfde massagraf dezelfde was. Er kan gedacht worden aan een epidemische ziekte, oorlog of hongersnood. Hierbij moet worden opgemerkt dat veel ziekteverschijnselen pas na langdurige ziekte zichtbaar zijn op het bot. Behalve ziekteverschijnselen kan de samenstelling van de overledenen (geslacht en leeftijd bij overlijden) ook een inzicht geven in de aard van de doodsoorzaak binnen deze massagraven. Momenteel wordt ervan uitgegaan dat beide massagraven tot stand gekomen zijn na de bouw van de kranskapellen (eind 14de-begin 15de  eeuw). Dit kan slechts bevestigd worden na verder specialistisch onderzoek.

Dankzij de uitzonderlijke bewaringstoestand van de bodemlagen onder het kerkhofniveau, geeft het archeologisch onderzoek ook nieuwe inzichten over de bewoning vóór de middeleeuwse periode. Ter hoogte van het geplande bezoekerscentrum gaan de oudste vondsten wellicht terug tot de late Bronstijd (1100-800 v. Chr.) en de IJzertijd (800-57 v. Chr.). Wat deze vondsten betreft, dient verder onderzocht te worden of men effectief kan spreken van bewoning op deze plaats. Gezien de aard van de lagen waarin het aardewerk gevonden werd, kan het aardewerk ook afkomstig zijn van een nabijgelegen nederzetting en door erosie van de hellingen hier terechtgekomen zijn.

Daarnaast heeft het onderzoek ook bewoningssporen uit de Romeinse periode aan het licht gebracht. Het voorkomen van onverstoorde bewoningssporen uit deze periode is uitzonderlijk in de Gentse binnenstad. De bewoning, die zich manifesteert in de vorm van diepe paalkuilen van houten gebouwen en tuin- of landbouwlagen, is te situeren in de 2de eeuw n. Chr. Het voorkomen van fragmenten Doornikse kalksteen en Romeinse mortel wijzen op de aanwezigheid van een natuurstenen gebouw in de onmiddellijke omgeving. Deze vondsten sluiten aan bij enkele oudere vondsten uit de buurt die wijzen op intense bewoning op de zandrug.

Het vrijleggen van verschillende begravingen (Ruben Willaert bvba)