De archeologen van Stadsarcheologie Gent voerden van 17 tot en met 24 juni een onderzoek uit in het Wintercircus, ook gekend als garage Mahy

De archeologen van Stadsarcheologie Gent voerden van 17 tot en met 24 juni een onderzoek uit in het Wintercircus, ook gekend als garage Mahy. Dit gebeurde in samenspraak met Sogent, het Gentse Stadsontwikkelingsbedrijf, en met de mechanische ondersteuning van aannemer Hans Buysse. Aan de hand van drie proefsleuven, uitgezet binnen de middelste cirkel van het circus, werd beoogd een inzicht te verkrijgen in het eventueel bewaarde bodemarchief.

Het Nieuw Cirkus, gebouwd in 1895 naar de plannen van Emile De Weerdt, bood tijdens de halfvastenfoor onderdak telkens aan een ander circusgezelschap. Tijdens de rest van het jaar was het het schouwtoneel van revues, bokswedstrijden, variétévoorstellingen, …. Nadat een brand in 1920 de koepel deed instorten, waarna enkel de buitenmuren nog rechtstonden, kreeg Jules-Pascal Ledoux de opdracht het circus te doen herrijzen als een theaterzaal waarin ook circusvoorstellingen konden getoond worden. In 1924 was de grote opening van het tweede Nieuw Cirkus, dat vooruitstrevend was op vlak van akoestiek, verluchting en verlichting. Tijdens het archeologisch onderzoek konden de restanten van de bijhorende piste afgelijnd worden.  Deze bakstenen cirkel van ca. 15 m doorsnede omvatte de zandvlakte waarop het spektakel plaatsvond. Rondom rond bevonden zich bakstenen muurtjes die als het ware een stralenkrans rond deze piste tekenden en de dragers van de houten zitbanken moeten zijn geweest. Een dubbele rij zware vierkanten poeren vormen de buitenste dragers van dit geheel.

Het circus van 1895 werd aangelegd binnen een in die tijd sterk geïndustrialiseerde wijk.  Op de plaats van de na een brand ingestorte katoenfabriek van de Kerckhove en de katoenspinnerij en –weverij Gand-Vanderschueren moet het nieuw te bouwen circus worden gesitueerd. Tijdens het archeologisch onderzoek werden een aantal muren opgetekend die met de industriefase van de site moeten worden geassocieerd. Op een diepte van meer dan 3 m zat in de meest zuidelijke sleuf een massieve bakstenen muur van ca. 1 m dik en 9 m lang die een vloerniveau afbakende. Op het oud kadaster is vermoedelijk deze muur herkenbaar, doch verder onderzoek moet uitwijzen tot welk ouder gebouw deze muur teruggaat.

Het oudste relict was een muur in Doornikse kalksteen die haaks stond op de Sint-Pietersnieuwstraat en zeker 80 cm breed was. Deze was aangelegd in de moederbodem die ca. 4 m onder de huidige vloerplaat werd aangetroffen. Het 4 m dikke bodemarchief bestond uit puin- en ophogingslagen waarbij nu al kan gesteld worden dat deze flank van de Blandijnberg heel wat is aangepast voor de latere post-middeleeuwse bebouwing.

Zicht op de archeologische opgravingen (Stad Gent, De Zwarte Doos, Stadsarcheologie)