Tussen 23 april 2015 en 18 mei 2015 werd op de terreinen van de voormalige VDAB-werkwinkel aan de Minnemeers een opgraving uitgevoerd

Tussen 23 april 2015 en 18 mei 2015 werd op de terreinen van de voormalige VDAB-werkwinkel aan de Minnemeers te Gent, in opdracht van het bouwbedrijf Van Kerckhove en Gilson, een opgraving uitgevoerd door BAAC Vlaanderen bvba. De ontgravingsdiepte bedroeg in deze fase ca. 1.60 m onder het maaiveld. In totaal werd ca. 1550 m² vlakdekkend archeologisch onderzocht.

De terreinen kennen een rijke geschiedenis. Dit deel van het huidige Gentse grondgebied kwam in het begin van de 13de eeuw onder stadsbewind. Het onderzoeksterrein is gesitueerd langs de (Nieuwe) Leie. Lange tijd bleef deze smalle strook onbebouwd, vermoedelijk in het licht van de verdediging van de stad. Het is bekend dat tot 1568 de jongelingen van de Sint-Sebastiaansgilde er hun oefenterrein hadden. Ook bestaan er afbeeldingen waarop de onderzoekslocatie als bleekweide wordt weergegeven. In de eerste jaren van de 18de eeuw werden er op het achterterrein soldatenbarakken opgericht, waar het leger van de hertog van Marlbourough in de winter ingekwartierd lag. Later werden deze kleine huisjes gebruikt voor het onderbrengen van arme arbeiders en werd het zo een van de oudste beluiken van de stad. In 1777 werden deze gebouwen geïncorporeerd in een grote suikerraffinaderij. De ruimtes van deze fabriek werden in de 20ste eeuw omgebouwd tot schoollokalen en kantoorruimtes.

Tijdens de opgraving werden diverse muur- en funderingsresten aangetroffen. Deze kunnen hoofdzakelijk worden toegeschreven aan intensieve bouwactiviteiten in de 19de en 20ste eeuw, die aan de hand van de toenmalige kadastermutaties op de voet kunnen worden gevolgd. Het gaat hier onder andere om gebouwen van de suikerfabriek.

Resten van de oudere gebouwen werden op het terrein eveneens aangetroffen. Vooral de overblijfselen van de ‘barakken’ van het leger van de Britse hertog, die in de eerste jaren van de 18de eeuw werden opgetrokken, sprongen hierbij in het oog. Het betrof zeventien kleine geplavuisde rijhuisjes, parallel met de Leie-oever. Een schets uit 1776 verduidelijkt de opgegraven resten. Op de vloer van deze huisjes werden heel systematisch aangelegde haardvloertjes aangetroffen, meestal in combinatie met een natuurstenen tegel, waarschijnlijk voor het plaatsen van een warme kookpot. Bij sommige haardvloertjes was gebruik gemaakt van speciale haardtegels. In een aantal kamertjes werden ook sporen van dunne tussenmuurtjes aangetroffen, met hier en daar een deuropening. Op de vloer waren in sommigen van deze deuropeningen de slijtsporen van de deuren nog zichtbaar.

Aan de straatzijde werd een oudere keldervloer aangetroffen met daarboven een vondstenrijk opvulpakket dat kan worden gedateerd in de 17de-18de eeuw. In deze vulling werd, naast veel aardewerk en glas, tevens een deel van een furket, een ‘vork’ om een musketgeweer te ondersteunen, en een soort lakzegel teruggevonden.

Ook werden verschillende muurresten en funderingen geregistreerd, die mogelijk teruggaan tot de kopergieterij die hier vanaf de 17de eeuw tot begin 20ste eeuw gevestigd was.

In een vervolgfase zal de nu reeds onderzochte zone nog 1 m worden verdiept. De aandacht zal dan vooral uitgaan naar de mogelijke oudere sporen en de bodemopbouw van de Leie-oever. De start van deze tweede fase wordt voorzien begin juli 2015.

Overzicht van de reeks soldaten/beluikhuisjes. Foto richting noordwesten (BAAC bvba)